Aan het werk met zwakke banden! Een interview met Ann Decorte

Hoe maak je buurten zorgzaam voor senioren en zorgbehoevenden? Volgens Ann Decorte ligt het antwoord in de zwakke verbindingen en kunnen tussenpersonen het verschil maken om drempels weg te nemen.

Ann Decorte

Ann doceert sociaal werk aan de Howest (Hogeschool West-Vlaanderen) en is er ook verbonden als onderzoeker rond het thema Vital Cities. Ze is mede-oprichtster van BlueAssist Vzw, een organisatie die een communicatiesysteem bedacht waardoor mensen die communicatiedrempels ervaren makkelijker een vraag kunnen stellen aan omstaanders en zich zelfstandiger kunnen bewegen in het dagelijks leven.

Durven vragen en helpen

In ieders buurt wonen eenzame, minder mobiele of kwetsbare senioren. Zij zijn vaak niet erg zichtbaar in het wijkleven. De zorgsector vervult een groot deel van de behoeften voor deze doelgroep, maar waar vinden senioren die kleine hulp bij klusjes zoals de vuilzakken buitenzetten, boodschappen doen of meewandelen tot bij de apotheker? Kunnen we hen bereiken en helpen via een buurtgerichte aanpak? Met ander woorden, hoe kunnen we hun hulpvraag en het hulpaanbod beter op elkaar afstemmen?

Mensen met een verstandelijke beperking, beginnende dementie of een taalbarrière ervaren hierbij extra uitdagingen. Voor onder andere deze doelgroepen ontwikkelde Ann het project BlueAssist. Het is een app of een kaartje om een vraag te kunnen stellen aan een medeburger als je dat zelf moeilijk kan. “De reden doet er niet toe, je moet geen erkenning hebben om het te mogen gebruiken. Je gebruikt het wanneer je denkt dat je het nodig hebt”. Op de applicatie of het kaartje staat bijvoorbeeld een vraag, zodat omstaanders de gebruikers de juiste bus kunnen aanwijzen, als ze het zelf niet onder woorden kunnen brengen. Zo kunnen mensen met communicatiedrempels toch een bepaalde zelfstandigheid ontdekken in het dagelijks leven.

Vraagverlegenheid

We vragen ons af waarom het zo moeilijk is voor senioren om hulp te vragen. Volgens Ann is dit niet enkel het geval voor senioren. “Mensen willen zelfstandig zijn, dat is bijna een wet, die zo diep binnengedrongen is. Toch moeten we aanvaarden dat we interafhankelijk zijn en dat we elkaar nodig hebben. Ik vraag toch ook hulp als ik de weg hier niet ken? Van waar dat idee van extreme onafhankelijkheid?” Senioren zijn niet de enigen met een diepgewortelde verlegenheid om hulp te vragen.

Het gaat dus in de eerste plaats om durven:

“We proberen mensen zover te krijgen dat ze iets durven vragen aan elkaar. De connectie die je maakt omdat je iets durft te vragen door een kaartje te gebruiken, die is belangrijk.”

De sterkte van zwakke banden

De focus ligt op het activeren van “zwakke banden”, vertelt Ann. Zwakke banden zijn losse contacten die je met buren kan onderhouden, éénmalig, of af en toe, ze zijn niet zo sterk als familiebanden of banden die je met vrienden onderhoudt. “Vandaag heb je minder je familie of je kennissen die in de buurt wonen; vroeger viel dat allemaal samen. Je familie woonde in de buurt, kennissen, de relaties waren dichtbij. Nu moeten we het doen met lossere banden, zogenaamde ‘zwakke banden’.

Het goede nieuws is dat zwakke banden volstaan om te kunnen helpen, om te durven helpen of om een vraag te durven stellen. Het is belangrijk om ze te activeren, besluit Ann, “dat kan het leven kwalitatiever maken”.

Wat zijn “zwakke banden”?

De Amerikaanse socioloog Mark S. Granovetter publiceerde in 1973 in het American Journal of Sociology een paper onder de titel ‘The Strength of Weak Ties’ (de kracht van zwakke verbindingen).

Granovetter omschrijft de sterkte van een sociale band als een combinatie van de tijd, de emotionele intensiteit, de kwetsbaarheid, en de wederkerigheid die je ervaart. Zo categoriseert hij sterke, zwakke of afwezige banden tussen mensen.

Vervolgens onderzocht Granovetter in een wijk in Boston het nut dat verschillende soorten sociale relaties hebben bij het zoeken van nieuwe tewerkstelling. Opvallend genoeg waren het voornamelijk de zwakke sociale contacten die dan nuttig bleken te zijn. Vandaar de titel van zijn veel geciteerd artikel: “the strength of weak ties”.

Sterke sociale contacten zitten vaak in een dicht netwerk met als gevolg dat iedereen ongeveer over dezelfde informatie beschikt. Juist in een uitgestrekt netwerk van zwakkere sociale contacten is er een veelheid en variatie aan informatie.

Onze kennissen (zwakke relaties) zijn dus minstens zo belangrijk als onze vrienden (sterke relaties). Een sterk sociaal netwerk blijft uiteraard van groot belang voor het persoonlijk-emotionele welbevinden, maar de steun die latent aanwezig is in buurten is minstens even belangrijk.

Het gaat niet om sterke relaties zoals hechte banden met vrienden of familie, maar eerder om zwakke, maar wel betekenisvolle relaties. Het geeft mensen het gevoel erbij te horen en verhoogt het gevoel van welbevinden en veiligheid in hun omgeving.

Voor senioren is de nabije buurtomgeving belangrijker naarmate ze minder mobiel en afhankelijk worden. Maar de buurtomgeving is voornamelijk samengesteld uit zwakke banden. Daarom is het belangrijk om een sociale ruimte te creëren waarin de drempel om hulp te geven en hulp te vragen kleiner wordt.

Tussenpersonen

“Ik wil 5 minuten helpen” staat er op kaartjes die mensen voor hun raam kunnen hangen. We hebben vooral gefocust op die kleine, praktische dingen. Omdat je daar met zwakke banden dingen kan bereiken. Daarenboven geeft het je ook de kans om mensen te activeren in het verhaal, vooral diegenen die niet gewoon waren iets te vragen aan de buren.

Daarom zijn er zowel vraag- als aanbod-kaartjes. “We wilden inspelen op de vraagverlegenheid door zoveel mogelijk het aanbod bekend maken”. Hulp bij vervoer of ergens naartoe stappen, sociaal contact en kleine, praktische klusjes; dat bleken de hoogste noden van een duizendtal tachtigplussers in wijken in Oostende en Brugge.

Om een burenhulpsysteem meer draagkracht te geven bij de ouderen en de buurtbewoners waren ook tussenpersonen nodig. We deden een beroep op de hulp van buurtwerkers die ervoor zorgden dat mensen elkaar vinden en dat er vertrouwen komt in het systeem.

Na een tijdje zagen we dat de dochter of zoon, de arts, de kine, de apotheker, en eventueel de thuishulp zeiden: “Jeannine vraag dat aan burenhulp”. Dan merk je dat men het systeem vertrouwt.

Limieten

Er zijn ook limieten aan het hulp bieden tussen buren. Niet alle vragen kunnen door buren worden opgelost. Wanneer verwijs je door naar opgeleide vrijwilligers of professionele hulp? Zo is er het voorbeeld van Pierre, die stond te springen om kleine jobs te doen voor anderen. Pierre deed niets liever; hij wachtte op opdrachten, onder andere meegaan met iemand naar de kine, die dat altijd uitstelde. Dat was een heel moeilijk persoon, maar Pierre kon er mee om. Hij belde aan en moest meneer honderd meter verder met Pierre naar de kine. Maar die persoon had in zijn broek gedaan net voor ze moesten vertrekken. Je kan niet verwachten van een buur dat die dat oplost. Pierre heeft dat wel gedaan, die heeft zijn plan getrokken. Maar dat kunnen we niet van buren verwachten, dat gaat al te ver.

Het is ook geen vrijwilligerswerk. Het mag geen verplichting zijn. Pierre uit het vorige voorbeeld moet zich niet verantwoordelijk voelen voor de persoon die hij helpt. Daarom hebben wij heel erg gefocust op die 5 minuten, vertelt Ann. Mensen mogen meer doen en ze doen ook meer, maar je moet het toch bij dat spontane houden.

We bevinden ons in een grijze zone: een nieuw potentieel aanzwengelen van mensen die een keer iets wouden doen, maar geen vrijwilliger zijn en geen vast engagement aangaan.

Een derde limiet is het behouden van het evenwicht tussen het openbare en het privé leven. “Zolang het de vuilbak buitenzetten is en een broodje meenemen, dat is okay, dat zijn deurgat-transacties. Maar als het binnen is, in de privé ruimte, dan moet er al meer vertrouwen zijn in het semi georganiseerde burenhulpsysteem of de buur.”