Kennis voor iedereen

De burger herovert het technisch-wetenschappelijk debat

Al te veel maatschappelijke processen worden beheerst door een pensée unique, los van elk publiek debat. Een kleine krans van niet-verkozen technici bepaalt dan wat kan en niet kan. Gelukkig tonen nieuwe burgerbewegingen dat zij genoeg expertise kunnen verzamelen om het technisch cordon rond belangrijke maatschappelijke kwesties open te breken. Schuif je bord bij want Piet Van Meerbeek van BRAL, stadsbeweging voor Brussel, schept een stevige analyse op van de relatie burger – expert, op smaak gebracht met getuigenissen uit de nieuwe BRALpublicatie ‘Burgers in de Brusselse keuken, recepten voor democratisch zelfbeheer’.


Het boek ‘Burgers in de Brusselse keuken, recepten voor democratisch zelfbeheer’ van BRAL licht in eenvoudige taal toe wat grote woorden als ‘deliberatieve of participatieve democratie’ en ‘commons’ betekenen.

Daarna schetst het acht recepten die burgers meer zeggenschap geven over hun leefwereld, telkens geconfronteerd met getuigenissen van Brusselse burgerinitiatieven.

Je vindt het op www.bral.brussels of je kan het aanvragen bij info@bral.brussels.


Piet Van Meerbeek (BRAL)

Wat een feest! Citizen science boomt! In Vlaanderen toont CurieuzeNeuzen met een knaller waartoe een burgeronderzoek in staat is. Ook in Brussel gebeurt er heel wat interessants. Burgers meten bijvoorbeeld de luchtkwaliteit, via projecten als Aircasting[1]. Veel Brusselse verenigingen en academici staan te drummen om in een participatief actieonderzoek van Co-Create te stappen. Dit co-create project is een Brusselse projectoproep die onderzoek financiert dat aansluit bij de behoeften van het terrein en dat in samenwerking met de betrokken mensen verloopt. Nu Co-Create enkele jaren loopt, is het ver zoeken naar Brusselse middenveldorganisaties en onderzoeksinstellingen die niet betrokken zijn of waren bij een project of een aanvraag. Burgerwetenschap zit duidelijk in de lift.

Beleven we daarmee een herijking van de verhouding tussen de academicus en de burger?

Krijgt de burger een evenwaardige plek binnen de zoektocht naar kennis en expertise, naast die van de expert?

Mag de burger stilaan stapjes zetten op het exclusieve speelterrein van de deskundige en zich bemoeien met zaken die die haar of hem tot voort kort ‘niet aangingen’? Of blijft de rol van de burger in burgerwetenschap beperkt tot die van voetvolk, waterdrager, verzamelaar van gegevens? En is het daarna nog altijd het privilege van de alwetende professor om die gegevens door te lichten en te verwerken tot échte inzichten?

De dictatuur van de technicus

We parkeren deze vragen even om een zijweg in te slaan. Kwestie van het belang van de vragen te kaderen. Want ze raken aan de kern van onze democratie. Kennis is macht.

De expert heeft niet alleen de macht om oplossingen aan te dragen maar definieert ook een begrippenkader. Zij of hij kiest mee met welke bril we naar de wereld kijken. En bepaalt welke ideeën als belachelijk of radicaal weg gezet worden.

De Italiaanse Marxist Antonio Gramsci was de eerste die de term ‘culturele hegemonie’ beschreef. Sindsdien wordt deze term gebruikt voor de manier waarop dominante groepen in onze samenleving het denken sturen. De laatste decennia is onze politiek nog meer een politiek voor en door technici geworden. Technici, in de ruime zin van het woord. Het gaat over allerlei mensen in niet verkozen functies: kabinetards, spin doctors en bedrijfsleiders. Verantwoordelijken van supranationale organisaties en opiniemakers in kranten… Zij hebben de kennis en de positie om hun keuzes naar voor te schuiven. Al te vaak doen ze ons geloven dat hun oplossing de enige rationele is, alsof er een natuurwet speelt, vanuit een soort ‘pensée unique’. There’s no alternative. Dit heeft gezorgd voor een depolitisering van veel maatschappelijke domeinen.

Misschien doet dit je spontaan denken aan verre instellingen als de Europese Unie, het IMF of de Wereldbank? Denk er dan aan dat ook dichter bij huis veel maatschappelijke processen onttrokken zijn van het maatschappelijk debat. “Jammer genoeg zijn maar weinig mensen op de hoogte van wat er met hun afval gebeurt, hoewel het iedereen aangaat”, zegt Simon De Muynck van het Co-Createproject Phosphore, dat onderzoek voert naar de verwerking van organisch afval in Brussel. “De eigen verantwoordelijkheid en inbreng van burgers valt bijna geheel weg. Het industriële model verloopt via publiek-private samenwerkingen tussen overheden, intercommunales en bedrijven. Het zijn de experten die bepalen wat er met ons afval gebeurt.[2] In ‘Burgers in de Brusselse keuken’ schrijft Liévin Chemin van BRAL: “Als het over mobiliteit of milieu gaat, houdt een technowetenschappelijke barricade burgers op afstand. Het bestuur verschanst zich achter de complexiteit van het dossier en slaagt er soms in essentiële en langverwachte politieke keuzes – zoals de inperking van het vervuilend verkeer- uit te stellen.”[3]

De democratisering van kennis

Liberale denkers als John Rawls hebben een filosofische/sociologische onderbouw gegeven aan het fenomeen depolitisering door het belang te benadrukken van een gedeeld en universeel kader van normen en waarden. Een aantal fundamentele ideeën zouden dan geen voorwerp meer zijn van politieke discussies maar zouden met consensus aangenomen worden.

Politiek-filosofe Chantal Mouffe waarschuwt ons dat dit soort depolitisering voorbij gaat aan de conflicten die eigen zijn aan elke maatschappelijke keuze en aan de hevige emoties die gepaard gaan met veel van die keuzes. Antropoloog Rik Pinxten bekritiseert het als westers reductionisme. Hij valt de neoliberale theorie aan waarin alles zodanig gereduceerd wordt dat enkel de economische facetten overblijven en waarbij politieke controle hierop als hinderlijk wordt weggezet. Hij schrijft dat “elke economische theorie in de eerste plaats een politiek economische theorie is, en dat het schermen met ‘wetenschappelijkheid’ in de discipline van de economie vaak een drogreden is om de politieke keuze die bij elke theorie ingebakken zit onder een eerbiedwaardige mantel van ‘objectiviteit’ of ‘rationaliteit’ onder te sneeuwen” (Pinxten, 2018: Het Nieuwe Vertrouwen,).

Zelfs het begrippenkader dat mensen gebruiken, is het resultaat van een heel politiek proces. Elk concept en elke definitie sluiten andere opties uit. Andere machtsverhoudingen zouden andere keuzes met zich meebrengen die ons anders zouden doen denken. Als we onze samenleving verder willen democratiseren, moeten we die beslissingsprocessen zichtbaar maken en open stellen. Dat gaat niet zonder slag of stoot. De onwetende burger is meestal niet welkom op de cenakels van de macht. Simon De Muynck van Phosphore: “Omdat het beleid zo complex geworden is, kan niet iedereen zich er op toeleggen. Het neemt meer dan een jaar in beslag alleen al om de regels over afvalbeheer te leren kennen. Daardoor vallen sommigen uit de boot; ze worden weggeschoven omdat ze ‘niet weten waar ze het over hebben’.[4] Democratisering begint dus bij de macht over informatie die je nodig hebt om die politieke keuzes in vraag te stellen, ook de onderhuidse keuzes.

Als we democratie willen verbeteren, moeten we eerst de kennis democratiseren.

De ontwikkeling van een burgeronderzoeker

Terug naar de nieuwe burgerwetenschap. Hoe democratisch is die nu eigenlijk zelf? De ervaring van het hoger genoemde Co-Create leert in elk geval dat veel projecten stevig worstelen met de uitdaging om het doelpubliek te betrekken als echte co-onderzoekers. De onderzoeksvragen en de methodologische keuzes komen zelden van de mensen op het terrein. Sinds maart 2017 coördineer ikzelf het Co-Createproject CitizenDev, een actieonderzoek naar een bottom-up stadsontwikkeling die vertrekt van de troeven van de buurt.

En om eerlijk te zijn: ook CitizenDev is bedacht door de partnerorganisaties en de onderzoekers. Ook wij kampen met de vraag hoe we de onderzoeksvragen en de analyse meer kunnen delen met de mensen op het terrein. Logisch ook, want zo’n projectoproep legt een heel kader op, met een complexe logica, structuur en vocabularium en geeft je relatief weinig tijd om binnen dat kader een aanvraag uit te werken. Bovendien moet je elk semester rapporten indienen, terwijl het terreinwerk en het “co-onderzoek” vragen om een langzame aanpak, zodat inzichten en relaties kunnen rijpen.

Een van de eerste klussen die wij aangepakt hebben, was dan ook de aanpassing van het ingewikkelde taaltje van Co-Create aan de leefwereld van onze onderzoeksterreinen.

Daarnaast moet je respecteren dat iedere mens een andere bijdrage kan en wil leveren aan een onderzoek. Sommigen doen mee aan avondlange discussies die raken aan de onderzoeksvragen maar anderen hebben geen zin en tijd voor zo’n vergadersessies. Zij geven hun mening liever bij pot en pint of ze doen mee door samen met ons de handen uit de mouwen te steken. Ook dat soort praktijken zijn een deel van het actieonderzoek.

Tenslotte moet je zo’n gedeeld onderzoek tijd gunnen, je niet laten opjagen door de agenda van de financierende overheid of wie dan ook.

Tijd is essentieel voor elke vorm van een collectief zoekproces.

In ‘Burgers in de Brusselse keuken’ schrijft Delphine Morel van het burgercollectief ‘Bruxsel’Air’[5]: “Van totale passiviteit tot het meest reactieve activisme, iedereen maakt verschillende fases door. Het vergt tijd: tijd om na te denken, je te informeren, uit te wisselen, andere ervaringen op te doen, te proberen, opnieuw te proberen en te herbeginnen tot het lukt”. Bewonersgroepen die van onderuit meten en expertise verzamelen, al dan niet met steun van professionele organisaties en los van formele onderzoeksprojecten, kunnen dat op hun eigen ritme doen. “Er is een collectief verlangen naar kennis”, schrijft Liévin Chemin.

“Sommige groepen hebben ondertussen een deskundigheid ontwikkeld die kan wedijveren met die van de regeringsadviseurs.”[6]

Het belang van de wetenschappelijke methode

Maar wat dan met de academicus? Welke rol is er nog weg gelegd voor haar of hem in dit alles? Uit de interventie van Wolfgang De Meuter van het Software Languages Lab van de VUB tijdens het debat over de recepten van ‘Burgers in de Brusselse keuken’[7] komt de academische expert naar voor als de garant van de wetenschappelijke waarde van onderzoek. Wolfgang benadrukt dat het niet voldoende is om veel dikke boeken te lezen en kennis te bezitten om het label van expert te verdienen.

Een expert is bovenal iemand die gedurende veel jaren blootgesteld is aan de wetenschappelijke methode.

Deze methode, die bestaat uit systematische procedures die de impact van buikgevoel, suggestie en vriendschapsrelaties op onderzoek zoveel mogelijk moeten uitschakelen, is essentieel. Wolfgang vindt het belangrijk daarop te hameren in tijden waarin sociale media een enorm vergrootglas zetten op de domste ideeën.

Meteen neemt hij ook de ‘citizen science 1.0 apps’ op de korrel omdat daarbij al te vaak vergeten werd dat ook burgertheorieën onderworpen moet worden aan de wetenschappelijke controlemechanismen. Iedereen kon meten op eender welke manier, zonder enige zelfreinigende methode. Alleen door haar of zijn uitspraken te toetsen via anonieme controles als peer review, kan de burger aanspraak maken op de status van expert, waarschuwt Wolfgang. De onderzoeker kan dan het kader bieden waarbinnen de leek een bijdrage kan leveren aan onderzoek. De projecten Discobar en Flamenco[8] bieden bijvoorbeeld technologie waarmee de burger z’n eigen app kan bouwen. De kwaliteit van de data wordt gegarandeerd via een ingebouwd protocol, in een ‘citizen science 2.0’ aanpak.

Het risico op simplistische uitspraken binnen burgeronderzoek klinkt herkenbaar voor Liévin Chemin. Maar Liévin wijst er op dat zelfcontrole ook een vooral moet komen van een collectief leerproces: ben ik wel zeker? Beheers ik de complexiteit van het thema voldoende?

Een coalitie tussen burger en expert

Maar wil de burger wel de positie van expert bekleden? Of is zijn bijdrage heel anders dan die van de expert? Tijdens het debat werpt Delphine Morel op: “Wij vervangen de echte deskundigen niet maar we dragen onze gegevens bij, onze data. (…) We waren in de Senaat, bij een Commissie die over luchtkwaliteit sprak. Ook al zijn we geen deskundigen, er werd naar ons geluisterd, als actieve burgers, die een verhaal hebben.”[9] Delphine maakt duidelijk dat de leek niet noodzakelijk de ambitie heeft om een expert te worden maar toch wil deelnemen aan het debat, naast de deskundige, gewoon omdat zij of hij betrokken partij is. De burger als stakeholder dus, eerder dan als schaduwexpert. Het is een visie die het rijke pallet van belangen en invalshoeken die aanwezig zijn in een complexe maatschappij erkent.

Bovendien duidt het op de verschillende vormen waarin het debat kan gevoerd worden.

Hoewel ‘story telling’ vaak afgedaan wordt als ongeschikt voor een wetenschappelijke of beleidsmatige discussie, kan het een manier zijn waarop iemand een bijdrage kan leveren aan kennisopbouw.

De bijdrage van de onderzoeker is dan om die verhalende stijl te confronteren met de academische kennis. In een kritiek op “policy making as the search for technocratic solutions to policy problems” zegt Marian Barnes dat “the process of policy making itself needs to be understood as a dialogic process in which it is less a question of reviewing evidence than negociating meanings, seeking control over meanings and constructing policies on the basis of this.”[10]

De expert en de burgeronderzoeker kunnen daarbij bondgenoten zijn. Want ook de ‘wijze’ staat vaak machteloos, zonder wapens om invloed uit te oefenen op het maken van de samenleving. Veel universitair onderzoek sijpelt niet door naar het beleid. Zelfs de beleidsvoorbereidende studies in opdracht van de overheid worden meestal gebruikt à la carte, in die mate dat de conclusies in de kaart spelen van de partijpolitieke belangen van de minister in kwestie. Het “onderhandelingsproces over betekenis” dat Barnes beschrijft, evolueert dan naar een ingewikkelde dans die soms wel begint op het publieke forum maar te vaak eindigt in ontransparante interkabinetsvergaderingen. Het is een dans tussen experten en belangengroepen, die trachten hun stem te laten horen via de pers, en politici die enkele kersen pikken uit studies om ze dan tentoon te stellen aan de publieke opinie. Of nog erger: het proces wordt opgeborgen in de diepvries.

Burgergroepen kunnen die bevroren tango doen herleven en via getuigenissen, story telling en acties een geblokkeerd debat weer op gang brengen.

Liévin Chemin stelt vast dat “het gemakkelijk is om cruciale feiten te negeren zoals de 10.000 vroegtijdige overlijdens onder invloed van luchtvervuiling, als de intrinsieke boodschap niet circuleert. Als er geen publiek debat is, geen belangstelling van de pers, geen actie van militanten, wie zal de cijfers uit onderzoeken dan omzetten in maatschappelijke conclusies en politieke antwoorden eisen?[11]

Auteur: Piet Van Meerbeek, BRAL

[1] http://www.cosmopolis.be/research/aircastingbxl

[2] Debat BRAL/BOZAR/Crosstalks 29/05/2018: ‘Dilemma’s voor de democratie’

[3] Liévin Chemin in: Piet Van Meerbeek (red), 2018, Burgers in de Brusselse keuken, recepten voor democratisch zelfbeheer.

[4] Debat BRAL/BOZAR/Crosstalks 29/05/2018, ‘Dilemma’s voor de democratie’.

[5] Delphine Morel in: Piet Van Meerbeek (red), 2018, Burgers in de Brusselse keuken, recepten voor democratisch zelfbeheer. Bruxsel’Air heeft meegedraaid binnen het project Expair, een eerste ervaring van burgers, BRAL en Leefmilieu Brussel met meten van black carbon.

[6] Liévin Chemin in: Piet Van Meerbeek (red), 2018, Burgers in de Brusselse keuken, recepten voor democratisch zelfbeheer.

[7] Debat BRAL/BOZAR/Crosstalks 29/05/2018, ‘Dilemma’s voor de democratie’.

[8] http://citizen-observatory.be

[9] Debat BRAL/BOZAR/Crosstalks 29/05/2018, ‘Dilemma’s voor de democratie’.

[10] Barnes, Newman and Sullivan, 2007, Power, participation and political renewal, case studies in public participation.

[11] Liévin Chemin 2018 in een draft van de publicatie ‘Citizen Science’.